Mijn streven is om van een expeditie altijd een resultaat over te houden, ook al valt het, zoals dit, in zijn formulering wat langer uit. Dat dit zo onafhankelijk en neutraal mogelijk tot stand kan komen, zonder door instituten of vakgerichte investeerders te worden gefinancierd, en dat het vrij toegankelijk is voor het publiek. Aan de gestelde taken – veel over de natuur ter plaatse uitzoeken en dat zo mogelijk ook nog met foto’s onderbouwen – kon ik niet helemaal voldoen, omdat het aanzienlijk moeilijker was dan gehoopt. Toch kan er weer het een en ander worden toegevoegd aan de inzichten die zich sinds 2002 tot op de dag van vandaag op de hoge breedten hebben opgestapeld. Tijdens de vier overwinteringen ter plaatse werden veel nieuwe inzichten over sneeuw- en ijsomstandigheden verzameld. Dat de buitentemperaturen niet zo’n grote invloed op ijsveranderingen hebben als steeds wordt bericht, maar dat veeleer de oppervlaktetemperaturen door kleurverschillen doorslaggevend zijn. Dat ijsveranderingen überhaupt van veel andere factoren afhangen, zoals wind, getij enzovoort. Dat nog altijd schade aan de ijsstructuur, veroorzaakt door de steeds sterker wordende scheepvaart, de grootste gevolgen heeft. Dat dit sterker worden niet alleen op het aantal schepen slaat, maar juist ook op de bouwwijze. IJs met een dikte van ruim een meter is tegenwoordig zelfs voor een vissersschip geen probleem meer, wat jaren geleden niet zo was. Het groeiende aantal schepen dat steeds weer door het ijs vaart, houdt daarmee een geul open waarin de wind met zijn verwoestende golven ongehinderd zijn werk kan doen. Is eenmaal een begin gemaakt, dan is er geen houden meer aan: het ijs komt in beweging, wordt gebroken en is zo de speelbal van alle krachten die op het water inwerken. Zo blijft de structuurschade aan het ijs een onherstelbare langetermijnschade, waaraan echter geen enkele aandacht wordt besteed en die zich voortdurend als een vuur verder vreet door de nog bestaande ongerepte ijsvlakten. Daardoor is het beschermende ijspantser langs veel kustlijnen gebroken. De Inuit zijn daar blij mee, omdat er daardoor grotendeels ongehinderd kan worden gevist, gejaagd en vervoerd. Bovendien is men gedurende een langere periode van het jaar flexibeler geworden, want de boot is en blijft een van de belangrijkste vervoermiddelen in het noorden. Heel anders ligt het bij de gletsjers, die zich in de loop der jaren tot ver aan de kustlijn hadden gevormd. Bij hen is de wig, het vlakke ijs voor het einde van de gletsjer, weggebroken. Door zijn schuin in het water aflopende vorm kan de gletsjer nu onstuitbaar in zee glijden. Tegen het getij met zijn voortdurende stijgende en dalende beweging en vooral tegen de golven die jarenlang aan de gletsjerrand knaagden, was het harde zoetwaterijs niet bestand. Het wordt gebroken en glijdt in zee.
Kunnen deze krachten door een geografische bescherming, zoals bijvoorbeeld in Zuid-Groenland in de Prins Christiaansund, nauwelijks op de gletsjerrand inwerken, dan blijft de gletsjer jarenlang zoals hij is en verandert hij maar weinig. Om het even of het tien graden warmer of kouder is. De temperaturen bij zo’n machtige gletsjer zijn sowieso heel anders dan wat er bij de verspreid over het land opgestelde meetstations wordt gemeten. Wat ik ook op zee moest vaststellen: dat de buitentemperaturen er aanzienlijk lager zijn dan in het kustgebied. Dat ijsmassa’s in het water de watertemperatuur en in hun directe omgeving ook de buitentemperatuur en zelfs de weersomstandigheden beïnvloeden. Dat ijsmassa’s, of ze nu in het water of op het land liggen, überhaupt een aanzienlijke invloed op het weer hebben. Zo konden we ons tegen stormen, die zich meestal vanuit Amerika linksdraaiend naar Groenland schroefden, beschermen door te vluchten in een fjord dicht bij het landijs of achter een pakijsgordel voor de kust. Op de zware, koude luchtmassa’s, die zich altijd als een muur rond het ijs vormen, ketsten veel van deze stormen af. Zo was het niet alleen in Groenland, maar ook in 2009/2010 bij de eerste overwintering in Labrador, Canada. Ligt men echter, zoals wij in de winter van 2015/2016 in Groenland, in een gebied voor zo’n koudepantser, dan krijgt men aanzienlijk hogere windsnelheden te verduren. De aankomende luchtmassa’s worden voor het koudepantser samengeperst en sterk versneld. Ze moeten dan door hun oorspronkelijke draaiing naar links uitwijken en vernielen alles wat hun in de weg staat. Ik kan de bewering van de weerprofeten dat zo’n wind vanaf het landijs ontstaat, niet bevestigen, want dan zou hij noodgedwongen koel of koud moeten zijn. Maar telkens als we in de wintermaanden zulke orkanen hadden, die soms meerdere keren per week voorkwamen, kregen we ook midden in de winter een paar uur lang aangenaam milde temperaturen tot 12°. De bewoners spraken van de “hot wind”. Ook op de weerkaarten kon men deze ontwikkelingen precies volgen. Dat de weersomstandigheden aan de oostkust van een land anders zijn dan aan de westkust, werd in de winter- en zomermaanden door de jaren heen in het logboek vastgelegd. Zo bleek dat de winters aan de oostkant van Canada tot onder de 50e breedtegraad zo koud zijn dat ook de ijsbeer zich daar nog thuis voelde. Deze breedtegraad loopt ongeveer door Frankfurt am Main. Een ondenkbare catastrofe als er door Frankfurt een paar ijsberen zouden slenteren. Men krijgt er nu al knikkende knieën en zet alles op zijn kop vanwege de paar wolven die er rondzwerven. Verder bleek dat inwoners weersituaties totaal verschillend beoordelen, hoewel de mensen die ik ondervroeg zich op dezelfde plek bevonden. De uitspraken waren zo tegenstrijdig dat er niet het geringste spoor van overeenstemming uit naar voren kwam. Dat komt niet alleen doordat iedereen het met andere ogen bekijkt, maar ook doordat de weersomstandigheden zich op zo’n plek door de structuur van het landschap anders gedragen. Zo kon ik tijdens de overwintering 2014/2015 vlak bij het plaatsje Goose Bay in Oost-Canada enorme verschillen vaststellen in temperaturen, windrichtingen en windsterkten tussen het meetstation op het vliegveld en mijn verblijfplaats op slechts ongeveer 3 km afstand. Dat de windrichtingen en windsterkten anders waren, kon ik nog verklaren door mijn wat vrijere ligging, maar dat de temperaturen soms tot -10° verschilden, was verrassend. Daardoor is en blijft het onverklaarbaar hoe de wetenschap voor de miljoenen vierkante kilometers grote arctische archipel, waartoe natuurlijk ook de wateroppervlakken behoren, met een handvol verspreide meetstations over de jaren heen een temperatuurstijging van 1° of 1,5° wil vaststellen. Die waarde zou immers al door de constructief bepaalde spreiding tussen de afzonderlijke meetinstrumenten van een serie in twijfel kunnen worden getrokken. Wat zulke precieze metingen bovendien bemoeilijkt, zijn niet alleen de te weinige meetstations, maar ook de voortdurende stormachtige winden, die vaak met orkaankracht, deels ook in de zomer, over de vlakten jagen en zo de luchtlagen sterk vermengen. Het is sowieso moeilijk te begrijpen hoe in de korte arctische zomer van ongeveer drie maanden de temperaturen, die nauwelijks dubbele cijfers halen, zo ver zouden stijgen dat alles wegsmelt. Ook de zeer geprezen satellieten hebben hun grenzen. Zelfs als er mooie gekleurde weergaven van watervlakten met weinig ijs op het beeldscherm verschenen, waren er ter plaatse ernstige verschillen, die door weersomstandigheden zoals mist en dichte sneeuwval niet konden worden weergegeven. Zelfs actuele en lokale informatie die via de radio werd doorgegeven en die meestal ook op satellietbeelden steunt, kon ter plaatse niet altijd worden bevestigd. Zo kwam het vaak voor dat de werkelijke ijsdichtheid aanzienlijk van de opgave afweek en er veel meer ijs op het wateroppervlak lag, zodat ik met mijn schip in uitzichtloze situaties belandde. Of de wetenschap in haar rapporten, die via de media worden gepubliceerd, met de gekozen bewoordingen “we nemen aan, of we geloven, volgens schattingen, volgens een extrapolatie zou het kunnen, de statistiek zegt” enzovoort een werkelijk bewijs levert voor zo’n opwarming en de catastrofale gevolgen daarvan, blijft tot op heden hoe dan ook onopgehelderd. Zo zouden Florida en Holland eigenlijk al meters onder water moeten staan, zoals jaren geleden in de media werd beweerd, aangezien de zeespiegel immers al jaren door het enorme smelten zou stijgen. De Noordwestpassage zou voor de scheepvaart ijsvrij en bevaarbaar moeten zijn als een vierbaanssnelweg. De ijsberen zouden bij bosjes moeten sterven, omdat hun leefgebied onder hun klauwen wegsmelt. Wat me in dat opzicht alleen verbaast, is dat we tijdens onze overwinteringen maandenlang hebben moeten omgaan met een ijsdikte tot 1,80 m rond onze boot, een sneeuwhoogte van meer dan twee meter, buitentemperaturen van bijna -40° en oppervlaktetemperaturen ver onder -58°, en dat ook in de paar zomerweken de lange onderbroek niet kon worden opgeborgen. Dat het afschotquotum voor ijsberen langs Labrador is verhoogd, omdat hun populatie niet alleen door de goede leefomstandigheden, maar ook door het robbenembargo zo snel groeide. Ook in Groenland wordt naar aanleiding van de nieuwste diertellingen gediscussieerd over het verhogen van het afschot. Maar daarover vindt men natuurlijk niets in de media; dat zou immers nog een aanwijzing zijn tegen de vermeende wereldwijde opwarming. Het is ook merkwaardig dat er meestal alleen over Groenland wordt bericht, in het bijzonder over de westkust. Hoe zit het dan met de hele oostkust van Groenland en de oostkust van Canada – is het daar soms te koud en te ijzig voor berichtgeving? Wordt het in Afrika of elders in het zuiden niet ook heter? Dat ik met deze inzichten niet alleen sta, werd me vaak bevestigd in persoonlijke gesprekken met de wetenschappers ter plaatse, die ik in de stations of op het land en op zee heb ontmoet. Er werd vaak fel gediscussieerd. Zo kwam het onderwerp van de terugtrekkende gletsjers als representatief bewijs voor de opwarming steeds weer op tafel. De gletsjer smelt, hij trekt zich terug en je ziet het smeltwater naast en onder de gletsjer stromen, waarop het ijs als op een glijbaan naar beneden kan glijden. Toen vroeg ik hoe ze willen bewijzen dat dit water ook echt smeltwater is, en of het niet zou kunnen dat het misschien uit nabijgelegen bronnen komt, die zoals bekend ook vlak bij een bergtop ontspringen. Of het geen verzameld regenwater uit een hoger gelegen gebied zou kunnen zijn? Verder wordt er steeds alleen over het terugtrekken van een gletsjer bericht – hoe zit het dan met de aanwas die door de metershoge sneeuwval ontstaat? Die sneeuw, die soms zo hoog ligt dat de inwoners niet meer door de deur hun huis uit kunnen, maar de dakluiken gebruiken, wordt immers in de loop der jaren ook tot ijs samengeperst. Zulke discussies bekoelden snel. In de loop van de jaren die mijn vrouw Silvia en ik daar doorbrachten, konden we geen duidelijke tendens in de ene of de andere richting vaststellen. Zoals ook de bewoners bevestigden, is er een voortdurend op en neer in alle aspecten van het weer en het ijs; toch neigt men eerder naar de opvatting dat er de laatste jaren slechtere en extremere weersomstandigheden waren, waarbij het kouder werd. Men hoopte en wachtte weliswaar altijd op beter weer, dat zich soms een paar dagen lang wat stabiliseerde, maar het was veel makkelijker om de warmere, zonnige dagen in de zomer te tellen dan de dagen met regen, sneeuw, de dichtste mist of de dagen die door de wind tot vlak bij het vriespunt waren afgekoeld. Zo is het woord “global warming” uitgegroeid tot een niet meer te stoppen thema dat vooral angst en paniek verspreidt, enorme bedragen in beweging zet en helaas ook verspilt. Naar verhouding komt er echter nauwelijks iets van ten goede aan de natuur. Terwijl men met een minimale inspanning de natuur in het noorden wat hulp zou kunnen bieden. De meeste nederzettingen en ook steden hebben geen rioolwaterzuiveringsinstallaties die het door chemicaliën verontreinigde afvalwater zouden kunnen reinigen. Alles wordt ongezuiverd in zee geloosd. Daarbij zijn de organische stoffen niet het grootste probleem, maar alle zware metalen en chemicaliën uit was- en schoonmaakmiddelen. Natuurlijk zou het een enorme klus zijn om zulke installaties uit de rots te houwen. Maar volgens het veroorzakersbeginsel (wat je niet vervuilt, hoef je niet schoon te maken) is het een koud kunstje om er iets aan te doen. De industrie beschikt al jaren over biologisch afbreekbare middelen, die hier uitermate zinvol zouden kunnen worden ingezet, maar helaas nauwelijks worden gebruikt. Hetzelfde geldt voor de afvalverwerking. Groenland is Labrador – waar aan het eind van bijna elke doodlopende veldweg een vuilstortplaats te vinden is en hele landstreken vervuild zijn – mijlenver vooruit. Maar over het algemeen kan de problematiek bij lange na niet tot een standaard worden gerekend die de natuur ondersteunt. Het zou dus zeker bij de tijd zijn om zich eens om zulke zaken te bekommeren, zodat men misschien een tastbaar resultaat heeft, zoals hoeveel ton chemicaliën of afval niet naar Groenland is geleverd, in plaats van een ontastbaar en onnavolgbaar resultaat als “we willen de temperatuur dit jaar niet meer dan 1° laten stijgen”. Mochten instituten, media of individuen suggesties of ook kritiek op deze samenvatting hebben, dan moeten ze niet aarzelen mij een e-mail te sturen; ik beantwoord ze allemaal en behoud me het recht voor enkele die voor het publiek interessant zijn te publiceren. Tot slot zij nog vermeld dat ik heel goed weet dat aan zo’n resultaat van een niet-academicus zoals ik, die geen professoren- of doctorstitel voor zijn naam draagt, juist in Duitsland weinig geloof wordt gehecht. Daar kan ik niets aan veranderen, maar het zou ook niets aan de feiten veranderen of afdoen. Toch zij gezegd dat ik beschik over bijna 40 jaar routine en ervaring in de omgang met de natuur, en dat ik daarin ook zonder industriële ondersteuning kan leven. Dat de basis als agronoom en bosbouwer met als zwaartepunt landschapsherstel mij in veel opzichten heeft geholpen. Dat mijn gevoeligheid voor de natuur de afgelopen jaren door het leven in de wildernis vele malen verfijnder is geworden dan die van een normaal levend mens met aansluiting op de beschaving. Dat dit eigenlijk een basisvoorwaarde is om inzichten te verwerven in een voortdurend veranderende natuur, en daarom de voorkeur zou verdienen boven welk schematisch computerprogramma dan ook. De natuur blijft natuur, die men met gevoel, gevoeligheid en respect tegemoet zou moeten treden, in plaats van te proberen haar in een wiskundige vuilnisbak te trappen. Wie zich een beeld wil vormen van de verhoudingen in het arctische gebied en de omstandigheden daar, om de situatie beter te kunnen inschatten, met van de media onafhankelijke informatie in beeld, gemengd met avontuur, kan dat doen aan de hand van mijn twee filmproducties “Expeditie IJs” en “Avontuur Canada”; wie liever leest, vindt dat ook in mijn twee boeken. Verder zijn ook enkele verslagen over het thema natuur uit de verzameling “Pauls verslagen” een nuttige aanvulling op de afzonderlijke logboekaantekeningen op deze website. Mocht u belangstelling hebben, neemt u dan contact op met de afzonderlijke distributeurs die op mijn website onder de rubriek Verkoop staan vermeld, of rechtstreeks met mij persoonlijk. Kortom: zolang in het hoge noorden de lange onderbroek, muts en handschoenen maar op weinig dagen in het jaar kunnen worden opgeborgen – niet alleen door mij, maar ook door de inwoners –, hoeft niemand over wereldwijde opwarming te spreken, en kan men dit initiatief beter zinvoller gebruiken. Bekijkt u zelf enkele foto’s hierover in de fotogalerij 2.